Bij 4 op de 100 kinderen komt de aandoening
Amblyopie (‘lui oog’) voor. Dit ontstaat doordat een oog zich in de vroege
kinderjaren niet goed ontwikkelt, wat resulteert in slecht zicht. Om dit te
herstellen moet dit in de jonge jaren van het kind behandeld worden, want geen
tijdige behandeling resulteert in blindheid of verlies aan diepteperspectief.
In de eerste vier maanden van het eerste levensjaar
ontwikkelt het gezichtsvermogen van een kind zich snel onder invloed van visuele
informatie uit de omgeving. Voor een goede ontwikkeling van het gezichtsvermogen
dient het brein tegelijkertijd gelijke duidelijke en scherpe beelden te
ontvangen. Komt er iets tussen deze ontwikkeling, dan kan dit resulteren in
Amblyopie en minder gezichtsvermogen.
Om amblyopie vast te stellen, is het belangrijk het
kind door een oogarts te laten onderzoeken. In Nederland vormt het onderzoek van
de ogen een onderdeel van het periodiek geneeskundig onderzoek (PGO) op het
consultatiebureau en bij de schoolarts.
Symptomen van een 'Lui oog'
Vaak zijn er geen duidelijke symptonen aanwezig. Symptonen kunnen zijn dat kinderen wat onhandig zijn, dingen omstoten of niet in staat zijn om bijvoorbeeld een bal te vangen die gegooid wordt. Dit geeft aan dat hun perceptie van diepte niet optimaal is. Bovendien kan het zijn dat het kind het hoofd schuin houdt, wat kan aangeven dat de oogstand niet recht is.
Strabismus ('Scheelzien')
De meest voorkomende oorzaak van Amblyopie is Strabismus ('Scheelzien'), waarbij de ogen niet op hetzelfde punt staan gericht. Echter, elke aandoening die de normale ontwikkeling van het gezichtsvermogen beïnvloedt kan het veroorzaken. Scheelzien kan in binnenwaartse (esotropia), buitenwaartse richting (exotropia), naar boven (hypertropia) of omlaag (hypotropia) plaatsvinden. Vaak is scheelzien een gevolg van brekingsafwijkingen (niet goed kunnen scherpstellen, zoals verziendheid) of spieronevenwichtigheid van de oogspieren.
Als een kind verziend (hypermetroop) of bijziend (myopia) is, kan een bril noodzakelijk zijn om te zorgen dat het beeld dat het luie oog ontvangt, maximaal scherp is. Soms kan een bril voorgeschreven worden om de oogstand te verbeteren.
Occlusietherapie
Een 'lui oog' wordt door de orthoptist behandeld. Hierbij wordt het goede oog –
afgeplakt. Het doel van deze occlusietherapie is het luie oog te stimuleren te
gaan werken en zo dat deel van het brein te helpen dat het gezichtsvermogen
ontwikkelt. Het oog wordt hierbij enkele uren per dag afgeplakt gedurende enkele
maanden tot enkele jaren, afhankelijk van de aard van de aandoening en het
meewerken van het kind. Van belang is de voorgeschreven behandeling strikt te
volgen en het kind te stimuleren de oogpleister te dragen.